Webmaster Oermuseum/ april 8, 2018/ Uncategorized


In twee kloeke boeken is de geschiedenis van Drenthe opnieuw beschreven. Maandag 9 april zijn ze in de oude kerk van Vries gepresenteerd. Vier jaar lang hebben archeoloog Wijnand van der Sanden en historicus Michiel Gerding gewerkt aan de provinciale historie in een nieuw perspectief. Wat we al wisten is opnieuw verteld en nieuwe kennis over de geschiedenis wordt verhelderd met veel beeldmateriaal. Dronefoto’s dragen bij aan dat nieuwe perspectief.

Belangrijkste Drent
Als er een belangrijkste-Drent-verkiezing zou zijn, zou rijkslandbouwleraar Jakob Elema de favoriet zijn van Michiel Gerding. Zijn invloed op de ontwikkeling van de landbouw was van onschatbare waarde. In 1937 hield hij zijn laatste van 774 lezingen en bereikte zo 45.000 boeren, die enthousiast aan de slag gingen met betere landbouwmethoden. Het kwam voor dat er nog tijdens de lezing een coöperatie werd opgericht, bijvoorbeeld om gezamenlijk veevoer of kunstmest in te kopen. Hij was een van de grondleggers van de studierichting cultuurtechniek en  initiatiefnemer van een systeem van proefvelden. Gerding constateert dat de periode 1860-1920 een enorm dynamische periode is geweest in de landbouw.

Offers en toverij
Het lijkt erop dat offeren van waardevolle spullen in Drenthe tot in de
zeventiende eeuw heel gewoon was. Zo wordt er melding gemaakt van
tientallen bronzen kookpotten en ander metalen vaatwerk, die zijn opgegraven. Uit het Orvelterveen is een zeventiende-eeuwse baardmankruik opgediept, die lijkt op Engelse exemplaren die vanwege hun curieuze inhoud als nagels, haar of spijkers en spelden in verband worden gebracht met toverij. Tot in de twintigste eeuw geloofden Drenten nog in toverij.

Een misrekening
Vanwege de vervening is Drenthe doorsneden door kanalen, meestal
met de hand gegraven en particulier initiatief. Een curieuze is het Oranjekanaal van de Drentsche Hoofdvaart naar de venen zuidelijk van Emmen.
Tussen 1853 en 1856 is het deel tot Odoornerveen gegraven. Maar toen
bleek dat er verkeerd was gemeten. Bij Zuidbarge kwam het kanaal te
hoog te liggen om van nut te zijn. Pas later werd het veen zuidelijk van
Emmen ontsloten vanaf het Stadskanaal. Door het Oranjekanaal zijn wel
diverse dorpen ontstaan, waaronder Schoonoord. 

De vrijheid van de tram
Trams maakten het begin twintigste eeuw voor iedereen mogelijk Drenthe te bereizen. Zes ondernemingen exploiteerden uiteindelijk negentien
tramlijnen. Voor de Drent leverde het bewegingsvrijheid op. Oosterhesselen werd een belangrijk knooppunt als kruising van de lijnen Assen- Coevorden en Hoogeveen-Nieuw-Amsterdam. De meest kronkelende tramlijn van het land liep van Meppel naar Balkbrug: zeventig bochten op 21 kilometer. De hoogtijdagen van de tram waren betrekkelijk kort. Al na de Eerste Wereldoorlog luidde de concurrentie van bus en vrachtwagen het begin van het einde in.

Michiel Gerding
Alles overziend is zijn conclusie dat de provincie in hoofdzaak een lijdend voorwerp is geweest, nooit een hoofdrolspeler. Drenthe was vooral goed voor anderen, om er oorlogen en conflicten uit te vechten, om als  wingewest te dienen voor Hollandse heren, om er turf, olie, gas en keien vandaan te halen en om er mensen en materiaal kwijt te raken die niet meer gebliefd werden. In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden was Drenthe goed voor 1 procent van ’s lands inkomsten, dus
het telde nauwelijks mee. De Maatschappij van Weldadigheid zocht niet voor niks in Drenthe naar grond voor landbouwkoloniën om er paupers en wezen naar ‘op te zenden’. Justitie was er later blij mee om criminelen op te bergen, bij Wijster was een prima plek om huisvuil uit de Randstad te dumpen, militairen konden heel best oefenen in die dunbevolkte provincie en als het om psychiatrische patiënten en gehandicapten ging stond Drenthe ook bovenaan bij de vestigingsmogelijkheden.
Niet dat de Drent daarover moet treuren, vindt Gerding. „Want het heeft ook ongelooflijk veel opgeleverd en betekend.” Betere bereikbaarheid en vooral ook werkgelegenheid waren het gevolg. Met als belangrijkste ontwikkeling de vervening, die niet alleen aan tienduizenden werk verschafte, tientallen dorpen liet ontstaan (Hoogeveen was geruime tijd de grootste plaats van Drenthe), scheepvaart mogelijk maakte en niet in de laatste plaats extra landbouwgebieden opleverde. „De vervening was niet per definitie armoede. Dat beeld is blijven hangen doordat in Nederland de vraag naar turf na 1920 opdroogde en er tegelijk een economische crisis ontstond. Maar het heeft Drenthe veel gebracht.”
Een ander opmerkelijk Drents fenomeen noemt Gerding het ontbreken van een stedelijke cultuur. Echte steden kent Drenthe eigenlijk nog steeds niet. De stad Groningen – ooit begonnen als Hondsrugdorp en in die tijd net zo
Drents als de Stellingwerven – heeft naar de mening van Gerding eeuwenlang meer betekenis gehad in Drenthe dan Assen, Emmen, Hoogeveen, Meppel en Coevorden.
‘Stad’ komt dan ook veelvuldig voor in de nieuwe beschrijving van de Drentse geschiedenis. Gerding durft ook wel te beweren dat Assen niks geworden zou zijn als de Drentse hoofdvaart niet was gegraven, dus indirect heeft ook die stad veel te danken aan de vervening.
„Het is dus een echte plattelandsgeschiedenis. Adel had weinig macht. De bewoners van de havezaten waren boer met de andere boeren. Het was eeuwenlang een samenleving zonder grote verschillen in rang en stand.” Dat noemt Gerding ook als reden voor een bijzonder sterk ontwikkeld gevoel van collectiviteit. Nergens anders waren de boermarken zo belangrijk als in Drenthe en coöperatieve ondernemingen waren de Drent op het lijf geschreven. De aard van het landschap ziet Gerding als de belangrijkste verklaring voor de noodzaak tot samenwerking, zeker
op het zandgedeelte van de provincie. Hij noemt de gezamenlijke exploitatie van de essen en het gezamenlijk hoeden van schapen voor de bemesting van het land.
Zonder samenwerking redde de boer het niet. Sinds de middeleeuwen was Drenthe een land van zelfstandig functionerende boerensamenlevingen onder een beperkt centraal gezag. De dorpen redden zich zelf op veel terreinen. Zelfs rechtspreken deden ze zelf. Een enorm dynamische periode was de tijd tussen 1860 en 1920. De landbouw ontwikkelde zich onder meer
door kunstmest en meer kennis toteen bloeiende bedrijfstak. Vooral in
Zuidwest-Drenthe zie je nu nog grote herenboerderijen uit die tijd.
Voor het eerst is in een geschiedenisboek van Drenthe de periode
na de oorlog belicht. Gerding beschrijft die periode als een echte
glorietijd. „Tussen 1945 en 1970 is hier iets groots verricht. Voor die
tijd was er nauwelijks riolering of waterleiding, werk was er weinig en
veel huizen waren die naam niet waardig. En kijk dan eens rond
1970. Er is een enorme inhaalslag geweest waarin Drenthe van een
provincie van ondergeschikt belang een volwaardig onderdeel van
het land is geworden. In 1970 verdiende de Drent gemiddeld meer
dan de Fries of Groninger. De achterstand is ingelopen en de land-
bouw heeft een complete transformatie ondergaan.” En ook hier
heeft de grote bereidheid om samen te werken het verschil ge-
maakt. En het feit dat er in Drenthe na de Tweede Wereldoorlog geen
wederopbouw nodig was, maar alle energie gestoken kon worden in
opbouw. De voortrekkers in dat proces haalden de Drenten dan wel
weer uit andere provincies. Als voorbeeld noemt Gerding commissaris der Koningin Jacob Kramer, die – heel anders dan zijn collega in Groningen – gewoon binnenstapte bij boerenbijeenkomsten om mee te praten over te nemen stappen.
En nu? Drenthe is volgens Gerding nu een gewone provincie als de meeste andere, nog steeds zonder een wezenlijke stedelijke cultuur, maar wel met steeds meer natuur.

Wijnand van der Sanden

Voor Wijnand van der Sanden als auteur van Drentse geschiedenis, een archeologisch perspectief is het boek ook een soort afsluiting van zijn carrière als provinciaal archeoloog. Toen hij begon (1987) was het oude ge-
schiedenisboek van 1985 nog nieuw. Professor Waterbolk stopte daarin bij de waterburcht van Eelde uit 1300.
Wat maandag wordt gepresenteerd is vooral rijk geïllustreerd en kent een verrassende aanpak.
Het boek begint bijvoorbeeld met een bespiegeling vanaf de top van de VAM-berg, het hoogste punt van Drenthe. Het behandelt de complete geschiedenis vanaf de neanderthalers tot en met de Tweede Wereldoorlog. Bodem\vondsten vertellen andere dingen dan de geschreven bronnen. Van
der Sanden noemt het een mooi experiment dat er twee boeken gemaakt zijn over dezelfde geschiedenis: eentje met een archeologische blik, de andere – door provinciaal historicus Michiel Gerding – met een blik vanuit de geschreven bronnen.
Er is daarmee een flinke overlap in de twee boeken, maar geen
dubbeling. Van der Sanden constateert dat er wel veel is veranderd sinds 1985. „De archeologie heeft terrein gewonnen en we zijn sindsdien ook heel wat meer te weten gekomen.” Van der Sanden noemt de nu bewezen aanwezigheid van neanderthalers in Drenthe. Maar ook het opgraven van
het galgenveld in Assen en de vuilnisbelt van doorgangskamp Westerbork uit de Tweede Wereldoorlog hebben de blik op de Drentse geschiedenis flink verruimd. „Hoe groot die galg in Assen is geweest staat nergens
opgeschreven, maar wij konden hem opmeten.”
Na 1980 zijn er heel wat belangrijke opgravingen geweest, die het
inzicht in Drenthes historie behoorlijk hebben opgepoetst en
verdiept.
„Archeologie ging altijd over objecten en projecten. Nu is er voor het eerst een overzichtelijk geheel, dat inzicht geeft in de ontwikkelingen in al die eeuwen.
Drenthe is in dit boek niet meer alleen de bouw van huizen, de aanleg van akkers en het begraven van mensen. Er gebeurt veel meer. Religie komt erg naar voren en de rituelen die daarbij horen. Allerlei gebruiken in Drenthe zijn nooit eerder beschreven. Het gewone leven was lang doordesemd met rituelen.
Bijvoorbeeld de offers die gebracht werden als een woonplek werd verlaten.”
Zo zijn er lange tijd bronzen kookpotten begraven, waarvan wel vast staat dat het een soort van offer moet zijn geweest.
Door grafvondsten in Dalfsen (OV) is duidelijk geworden wat mensen van de Trechterbekercultuur individueel zoal mee kregen als ze werden begraven. Daarmee wordt ook meer duidelijk over het gebruik van de hunebedden.
„En zo is het verhaal nooit af. Bovendien, als je vijf archeologen de geschiedenis laat vertellen krijg je vijf verschillende verhalen. Wat ik heel interessant vond is de manier waarop tegen de geschiedenis zelf werd aangekeken. Hoe bijvoorbeeld de kijk op hunebedden is veranderd. Er was
een tijd dat ze werden gezien als vitaal onderdeel van een gemeenschap, maar later als bouwsels waar de duivel en reuzen bij betrokken waren. Je kunt je eigen wereldbeeld niet op het verleden plakken. Voor ons is het toch vreemd dat je een bronzen zwaard in het veen achterlaat in plaats van het om te smelten.”
Natuurlijk komt de kwestie Vermaning aan bod: Van der Sanden zet hem in het boek bij in een rijtje vervalsingen in de Drentse archeologie. Behalve de
oeroude bijlen die als ‘recent gefabriceerd’ te boek staan is er het verhaal van wat beeldjes die uit het veen gered zouden zijn en door het museum met graagte van de ‘vinder’ zijn gekocht.
Van der Sanden maakt ook inzichtelijk dat Drenthe in de oudheid al contacten had met andere delen van West-Europa.
Migranten waren er ook in de oudheid. In de provincie zijn maalstenen uit het Rijnland gevonden en bronzen dolken uit Noord-Frankrijk.
Het boek geeft veel antwoorden, maar nog lang niet alle. Zo weet Van der Sanden veel over het beroemde meisje van Yde.
„Maar ik zou als het kon heel graag bij die gebeurtenis zijn geweest om te weten hoe ze om het leven kwam en met wat voor ceremonie ze in het veen begraven is. Maar ook hoe die lange houten weg bij Valthe is aange-
legd. En door wie en waarom.”