De Mammoeten van Nijensleek

Uit: KerspelStokkies 48, september 2019 

Op 30 januari jl. organiseerde Zeemuseum Miramar in Vledder in samenwerking met het OERmuseum in Diever een lezing over onder andere de mammoeten van Nij-ensleek. De lezing werd gegeven door Dick Mol, een wereldwijd bekende amateur-paleontoloog (bestudeert fossiele resten of sporen van organismen) en Bas van Geel , palynoloog (analyseert pollen) en paleo-ecoloog. Zij namen de bezoekers mee naar het verre verleden van onze eigen omgeving. 

De zuidelijke bocht van de Noordzee, tussen de Britse Eilanden en het vaste land van Europa, is een ware schatkamer voor ijstijdpaleontologie en archeologie. Ooit, zo’n 20.000 jaar geleden, de zogenaamde laatste ijstijd, was dit droog land en werd het bewoond door een ijstijdfauna: er graasden mammoeten, neushoorns, steppewisen-ten, reuzenherten en ook leeuwen en hyena’s. Een fauna die al lang verdwenen is. Een mammoet was ongeveer zo groot als een Aziatische olifant, met een schouder-hoogte tussen de 2 en 3,5 m. 

De Opregte Steenwijker Courant van vrijdag 13 februari 1987 kopte ‘Drie Steen-wijkers doen unieke vondst op geheime plaats’. Deze geheime plaats bleek de zand-winning van Hellinga aan de Moerhoven/Heerendijk in Nijensleek te zijn. Tijdens zandzuigwerkzaamheden kwamen mammoetresten boven. Deze resten zijn tiendui-zenden jaren oud. De resten waren tot voor kort niet onderzocht met de koolstofdate-ringsmethode (C-14), waardoor een goede duiding van de ouderdom niet mogelijk was. Men schatte de ouderdom op tenminste 20.000 jaar. In mei 2019 is een C-14-onderzoek van een botrest voor het OERmuseum uitgevoerd door de Rijksuniversi-teit Groningen (het centrum voor isotopenonderzoek). Uit het onderzoek is gebleken, dat de botresten tussen de 46.000 en 50.000 jaar oud zijn. Dat is dus veel ouder dan tot voor kort werd geschat. 

De vindplaats werd geheim gehouden omdat men vreesde voor een grote toeloop, vernieling en verdwijning van vondsten. De vondsten betroffen botten van diverse diersoorten, waaronder de steppewisent, edelhert, wolharige neushoorn en de mam-moet. 

Van de mammoet zijn een aantal puntgave beenderen gevonden, waaronder een ribben van ruim een meter lang (van vijf verschillende mammoeten), een stuk van een zogenaamde stoottand en een scheenbeen van een holenleeuw. De zandzuiger bracht alleen skeletdelen boven die door de zuigmond gingen. Pogingen om de grote-re mammoetdelen en -schedels die op de bodem moesten liggen naar boven te halen met duikers en sleepnetten mislukten jammerlijk. Er zijn plannen om de zandwin-ningsplas fors uit te breiden (tot anderhalf keer zo groot als nu). Waarschijnlijk zal dat geen nieuwe (grote) resten opleveren omdat wij hebben begrepen dat wanneer de uitbreiding door gaat op de kop van de zuigmond een rooster of een zeef wordt ge-plaatst. Daardoor zouden alleen kleine resten naar boven kunnen komen. 

Hoewel de vondsten in Nijensleek plaatsvonden is Steenwijk ‘er mee aan de haal gegaan’. Zo gaan de resten ‘door het leven’ als de mammoeten van Steenwijk. De archeologische afdeling (met name de heren Piet Timmerman – recentelijk overleden, Albert Kuper en Meine Buitenhuis) van de Historische Vereniging Steenwijk heeft zich toen en ook nu nog over de mammoetresten ontfermd. 

De vondsten zijn verschillende keren geëxposeerd, onder andere in de Oudheidka-mer Steenwijk en in het OERmuseum in Diever. In het OERmuseum is hiervan nog steeds materiaal te bekijken en het bezoeken van het museum is om meerdere rede-nen (er is onder andere een levensechte mammoet te zien) de moeite waard. 

gert.veld@ziggo.nl 

Voor dit artikel zijn (met toestemming) documenten en foto’s geraadpleegd en gebruikt van het OER-museum te Diever en het boek ‘60 jaar Hellinga’ (Steenwijk, boek uit 2013).