In het Oermuseum maak je een ‘Reis door de Tijd’, vanaf de laatste ijstijd tot de brons- en ijzertijd. Met diorama’s, filmpjes en interactieve spelelementen ga je beter begrijpen wie de mensen waren die lang geleden in Drenthe woonden, leefden en werkten. De prehistorie kunnen we in drie verschillende tijdvakken verdelen: de steentijd, de bronstijd en de ijzertijd.
Prehistorie betekent letterlijk voorgeschiedenis. Het is de tijd voordat de mensen opschreven hoe zij leefden. Globaal is dat in Nederland de tijd vóór het jaar nul. In de oertijd vond men de ruilhandel uit en het vuur. Ze maakten vuur door vuurstenen te gebruiken. Van vuurstenen maakten de mensen ook steengereedschap. Van botten maakten ze beengereedschap, zoals hamers, bijlen, naalden en tentstokken. Van boomtakken vlochten ze manden. Alles wat bekend is over de prehistorie of oertijd baseren we op archeologische vondsten. Veel van de archeologische vondsten in het OERmuseum zijn in Diever en omgeving gevonden.
De eerste sporen van mensen in Nederland zijn afkomstig van neanderthalers. De eerste moderne mens, de Homo Sapiens, verscheen pas aan het einde van de laatste ijstijd, vlak voor het begin van de Middensteentijd. Zij leefden hoogstwaarschijnlijk van de vele watervogels en vissen uit de talloze beken, meertjes en veengebieden. Vondsten en sporen van boerderijen suggereren dat rond 5.300 v.Chr. de eerste landbouwers het gebied introkken.
De steentijd is het oudste en langste tijdvak van de menselijke geschiedenis. Met de steentijd bedoelen we de periode uit de prehistorie waarin de eerste mensen stenen gereedschap gingen gebruiken en nog geen metalen. Helemaal aan het eind van de steentijd maakten de mensen van sommige metalen wel sieraden.
De steentijdperiode verdelen we in drie tijdvakken:
• de oude steentijd (Paleolithicum
2,5 miljoen tot 10.000 v.Chr.
• de middensteentijd (Mesolithicum)
10.000 tot 5.300 v.Chr.
• de jonge steentijd (Neolithicum)
5.300 tot 2.000 v.Chr.
In het OERmuseum vind je diverse vondsten, zoals een vuistbijl, uit de steentijd. De voorwerpen zijn gevonden in Diever en omgeving.
De bronstijd (ca. 3.200 tot 800 v.Chr.) volgt op de steentijd. De kennis voor het bewerken van metalen, inclusief brons ontstond in het Midden-Oosten. Daar werd brons sinds ca. 3000 v.Chr. gebruikt. Deze kennis heeft zich langzaamaan verspreid door Europa.
In Centraal-Europa is er tussen de nieuwe steentijd en de bronstijd nog een kopertijd te onderscheiden. In Nederland zijn uit deze periode wel enige koperen voorwerpen gevonden, maar dit waren uitzonderingen.
Brons verving vuursteen als belangrijkste materiaal om gereedschap, wapens en sieraden mee te maken. Toch werd steen nog lang als werktuig gebruikt. De oudste overgebleven voorwerpen van brons waren voornamelijk bijlen, maar ook enkele dolken, stafdolken en sieraden zoals armbanden. Brons werd langzaam algemener en er kwamen steeds meer soorten metalen voorwerpen in gebruik.
De ijzertijd (ca. 800 tot 12 v.Chr.). volgt op de bronstijd. De IJzertijd is de periode waarin mensen overgingen op het gebruik van ijzer bij het vervaardigen van gereedschap en wapens. IJzer heeft diverse voordelen ten opzichte van brons. IJzer is een veel sterker materiaal dan brons en de grondstof voor ijzer komt op veel meer plaatsen voor. Het duurde lang, voordat de mensen leerden het metaal uit zijn erts vrij te maken. De voordelen zorgden ervoor dat bij voorkeur ijzer werd gebruikt voor allerlei wapens (vooral het zwaard) en gereedschap. Brons bleef echter belangrijk voor sieraden en siervoorwerpen (vooral armbanden en paardentuig).
Welkom, wat fijn dat je er bent!
Het OERmuseum heeft een bijzonder plan: op de Brink komt een herinneringsplek voor de bekende archeoloog Albert Egges van Giffen. Een plek waar verleden en heden elkaar ontmoeten. Verschillende kunstenaars hebben hiervoor een ontwerp gemaakt. Uit alle inzendingen zijn drie ideeën gekozen – en die leggen we graag voor aan de inwoners van Westerveld.
Maar eerst: wie was Van Giffen eigenlijk?
Hoewel zijn naam niet bij iedereen een belletje doet rinkelen, is zijn betekenis enorm. Hij wordt niet voor niets de ‘vader van de hunebedden’ genoemd. Van Giffen onderzocht alle hunebedden in Nederland, bracht ze nauwkeurig in kaart en zorgde voor restauratie en behoud. In een tijd waarin archeologie nog nauwelijks serieus werd genomen en vondsten soms verloren gingen, zette hij het vakgebied in Nederland stevig op de kaart.
Zijn band met Diever was sterk. Hij groeide op in de oude pastorie aan de Brink, ging er naar school, bezat er een vakantiehuis en vond er uiteindelijk ook zijn laatste rustplaats. Voor oudere inwoners is hij misschien nog een bekende verschijning: een markante persoonlijkheid met een grote passie voor het verleden.
Voor de herinneringsplek zijn drie ontwerpen geselecteerd, die we hieronder presenteren:
Bij dit ontwerp staat de grote steen voor het oude gemeentehuis centraal. De gemeente heeft deze steen beschikbaar gesteld voor het monument. Aan de steen wordt een bankje bevestigd met daarop een ijzeren draadfiguur die Van Giffen voorstelt. Bezoekers kunnen naast hem plaatsnemen, een selfie maken of simpelweg even uitrusten. Een laagdrempelige en uitnodigende manier om kennis te maken met zijn verhaal.
Een manshoog draadfiguur van ijzer die Van Giffen uitbeeldt terwijl hij een zwerfkei in zijn handen houdt. Dit ontwerp benadrukt zijn verbondenheid met het landschap en zijn onderzoek naar prehistorische monumenten.
Een tweedimensionale vorm van een hunebed, waarbij alleen de contouren van de zwerfstenen zichtbaar zijn. Je kijkt dus door het hunebed heen. De omtrek van de stenen is uitgevoerd in roestvrij staal en van binnenuit verlicht. Dit moderne ontwerp verwijst direct naar het werk waarvoor Van Giffen zo bekend werd en laat het verleden letterlijk oplichten in het heden.